Inleiding

Het heeft geen nut om een nieuwe mooie telescoop en een stel steratlassen te hebben als je niet de weg weet aan de sterrenhemel. Als beginner is het belangrijk om goed de weg te weten aan het firmament. Als de verleiding toch te groot is kijk dan naar de maan of de heldere planeten zoals Venus, Jupiter en Saturnus. Zet het instrument daarna weer aan de kant en verdiep je in de sterrenhemel. Je hebt er later alleen maar voordeel van.

Onderstaand 5 eenvoudige “lessen” die je kunnen helpen met je eerste schreden als waarnemer.

De vijf lessen zijn een bewerking van een inleidend artikel over sterrenkunde van de American Association of Amateur Astronomers.

Les 1: Leer de weg aan de sterrenhemel
Een goed begin met het bestuderen van de sterrenhemel is het leren herkennen van de sterrenbeelden. Als je de sterrenbeelden goed kent dan kunnen die je later helpen bij het zogenaamde “sterhoppen” het springen van ster naar ster om zo het object dat je wilt zien, te kunnen vinden.

Koop een eenvoudig boek dat overzichten biedt van de maandelijkse sterrenhemel of koop een draaibare sterrenkaart. Verder heb je alleen een zaklantaarn met zwak licht nodig. Beter is een daklamp met rood licht (rood lampje of een rode folie). Zwak of rood licht is belangrijk omdat je ogen helemaal aan de duisternis moeten wennen om alle sterren goed te kunnen zien. Verder is een schrijfblok handig zodat je wat aantekeningen kunt maken. Als het vochtig is buiten (en dat is het meestal ’s nachts) dan kan je beter een potlood gebruiken in plaats van een pen. Kleed je warm aan; ook in zomernachten kan het sterk afkoelen. Heb je toevallig de beschikking over een verrekijker dan kan het handig zijn om ook die mee naar buiten te nemen. Heb je geen verrekijker maar zou je er wel eentje willen kopen win dan advies in bij een amateur-astronoom of een vereniging. Voorkom dat je een instrument koopt dat over een paar jaar niet meer gebruikt wordt.

Maak van te voren een overzicht van welke sterrenbeelden zichtbaar zijn (niet alle sterrenbeelden zijn tegelijkertijd zichtbaar en sommige zijn vanuit je woonplaats zelfs helemaal nooit zichtbaar) en welke je wilt gaan bekijken. Overhaast niets en probeer niet teveel sterrenbeelden in eens te bekijken. Het duurt enige tijd voordat je de sterrenbeelden blindelings herkent dus ga zo vaak als maar mogelijk is naar buiten om te oefenen. Hou bij welke sterrenbeelden je hebt gezien. Het kan handig zijn om ze voor je zelf te tekenen en er bij te zetten wanneer en hoe laat je ze hebt waargenomen.

De meeste sterrenbeelden zijn seizoensgebonden dus je hebt ongeveer een jaar nodig om alle sterrenbeelden die vanuit je locatie zichtbaar zijn, te hebben gezien. Gebruik de heldere en grote sterrenbeelden zoals de Grote Beer, Cassiopeia, Leeuw en Orion om de weg te vinden naar de kleinere en zwakkere sterrenbeelden.

Les 2: Leer de beweging v/d sterrenbeelden aan de hemel
Leer de beweging van de sterrenbeelden aan de hemel

Als je een sterrenbeeld gedurende een aantal maanden volgt dan zie je dat ze bewegen langs de hemel. Dit helpt je in het herkennen hoelang en wanneer een sterrenbeeld het beste zichtbaar is. Sterrenbeelden in de buurt van de Poolster zijn het gehele jaar zichtbaar (zit zijn de circumpolaire sterrenbeelden). Voorbeelden van circumpolaire sterrenbeelden zijn Cassiopeia, de Grote en de Kleine Beer en Cepheus.

Een andere groep sterrenbeelden komt op in het oosten en reikt zijn hoogste punt in het zenit (het zenit is het punt recht boven je hoofd), ze gaan onder in het westen. Deze sterrenbeelden zijn het beste te bekijken als ze op hun hoogste punt aan de hemel staan. Het zijn sterrenbeelden die gedurende een half jaar of zo zichtbaar zijn. Onder deze grote groep sterrenbeelden behoren ook de heldere sterrenbeelden Zwaan, Hercules en Leeuw.

Tenslotte zijn er nog sterrenbeelden die opkomen in het zuidoosten en ondergaan in het zuidwesten. Deze sterrenbeelden zijn maar een paar maanden per jaar goed zichtbaar en ze staan altijd laag aan de hemel. Wil je deze sterrenbeelden goed kunnen zien dan moet je ver weg van luchtvervuiling (dorpen, steden) zoeken naar een waarneemplaats met een vrij zicht op de horizon. Onder deze groep van sterrenbeelden horen o.a de sterrenbeelden Schorpioen, Walvis en Waterslang.

Tijdens je kennismaking met de sterrenhemel zul je ook de twaalf sterrenbeelden van de Dierenriem leren kennen. Uiteraard komen ook gedurende je kennismaking met de sterrenhemel de maan en de planeten voorbij.

Het kan uitermate handig zijn om verslagen te maken van je waarnemingen. Je zal zien dat je vorderingen maakt en je kan leren van eerdere waarnemingen: wanneer een sterrenbeeld bijvoorbeeld het beste zichtbaar is. Je hebt niets speciaals nodig om je waarnemingen in te noteren. Een eenvoudig schrift met een inhoudsopgave voldoet uitstekend. Je kan je waarneemschrift ook gebruiken voor het maken van planningen. Er zijn geen regels om de waarnemingen die je doet vast te leggen maar datum/tijd en locatie zijn het minimale. Je kan dit uitbreiden door ook de weersomstandigheden vast te leggen en een korte omschrijving te noteren van hetgeen je hebt gezien.

Les 3: Objecten in het zonnestelsel
Om vertrouwt te raken met je telescoop kan je heel goed oefenen op de Maan en de planeten. Het zijn de helderste objecten aan de hemel en ze zijn relatief gemakkelijk te vinden. Het zijn objecten die je meestal met een sterke vergroting kan bekijken. Beweeg de telescoop zodat je gevoel krijgt hoe objecten zicht in het oculair verplaatsen.

De maan
Gebruik een lage vergroting die zo veel als mogelijk van de Maan laat zien. Nadat je een gebeid hebt uitgekozen dat je nader wilt bestuderen kies je een oculair met een sterkere vergroting. De Maan bij Volle Maan: je ziet donkere en lichte gebieden. De donkere gebieden noemen we mare (zee), de lichtere gebieden zijn hoger gelegen rotsformaties of gebergten. In beide gebieden komen kraters voor. De meest opvallende krater is Tycho, vanuit deze krater lopen grote stralen over het maanoppervlak. Als de Maan door zijn fases loopt zien we de schaduwlijn bewegen over het oppervlak. Deze scheidslijn tussen licht en donker komen we terminator. Als je gaat waarnemen kijk je zoveel mogelijk naar objecten langs deze terminator omdat de schaduwen ervoor zorgen voor zoveel mogelijk detail. Een maankaart of een boek dat de Maan beschrijft kan handig zijn. Alle gebieden op de maan hebben een naam. Een kaart verteld je welke objecten je hebt gezien en een goed boek over de Maan geeft je vaak nog meer achtergrond over het object dat je hebt gezien (bijvoorbeeld, wie was Tycho?).

Venus
De planeet Venus kan alleen kort voor zonsopkomst in het oosten of kort na zonsondergang in het westen worden waargenomen. De planeet beschrijft een cyclus van ongeveer 10 maanden als ochtendobject en tien maanden als avondobject. Venus is altijd erg gemakkelijk te vinden omdat de planeet erg helder wordt en dus gemakkelijk is te herkennen. De planeet vertoont schijngestalten en dat is voor een amateur leuk om te bestuderen. Omdat de afstand tussen Venus en de Aarde varieert zien we de planeet niet altijd even groot.

Mars
Mars loopt in ongeveer 2 jaar eenmaal rond de zon en daarom is de planeet om de twee jaar gedurende 6 maanden goed te bestuderen. Afhankelijk van de grootte van je telescoop zijn de poolkappen van de planeet goed te zien. Mars is het beste te bestuderen als de afstand tot de Aarde het kleinst is. Het schijfje wat we door een telescoop kunnen zien is dan het grootste.

Jupiter
De reuzenplaneet heeft ongeveer 12 jaar nodig voor één omloop rond de zon. Daardoor zien we de planeet ieder jaar in een ander sterrenbeeld staan. De vier grootste manen van Jupiter (IO, Europa, Callisto en Ganymedes) zijn met een telescoop eenvoudig te zien. De bewegingen van de manen rond de planeet zijn goed te volgen. Bedekkingen van manen door Jupiter zijn mooi om te volgen. Ook bedekkingen van de maantjes onderling zijn door een eenvoudige telescoop al goed te zien. Op de planeet zelf kunnen we een wirwar van lijnen ontwaren en ook de grote Rode Vlek is zichtbaar. Omdat de planeet in acht uur om zijn as draait zijn er na een paar uur al verschillende details zichtbaar. Onder goede weersomstandigheden kan de planeet flink worden vergroot.

Saturnus
De planeet met de ringen heeft een omlooptijd van ongeveer 27 jaar. De planeet staat daarom iedere twee jaar in een ander sterrenbeeld en is dus zichtbaar als het sterrenbeeld zichtbaar is. De ringen van de planeet zijn door een telescoop goed te zien. Tengevolge van verschillen in de baan van de Aarde en Saturnus zien we het ringenstelsel ieder jaar onder een andere hoek en eens in de 15 jaar kijken we tegen de zijkant van de ringen aan en zien we ze niet door een amateur-telescoop. In een kleine telescoop zien we het ringenstelsel als één ring maar door een grotere telescoop bij sterkere vergrotingen kunnen we goed zien dat het systeem uit meerdere ringen bestaat. Met een telescoop is tenminste ook Titan, de grootste maan van Saturnus, zichtbaar. Met een grotere telescoop zijn meer manen zichtbaar.

Mercurius, Uranus en Neptunus
Deze planeten zijn zichtbaar door een kleinere amateur-telescoop maar er zijn geen bijzonderheden op te zien. Het vereist een grotere telescoop om iets bijzonders aan deze planeten te zien. Pluto ligt buiten bereik van de meeste amateur-telescopen.

Les 4: Leren “ster-hoppen”
De kreet sterhoppen komt van het engelse starhoppen wat letterlijk vertaald “springen van ster naar ster” betekent.

Telescopen zijn vaak uitgerust met cirkels om de coördinaten van objecten vanaf te lezen. Om dergelijke cirkels goed te kunnen gebruiken moet je telescoop perfect zijn afgesteld. Een manier om zwakke objecten op te zoeken is door te ster-hoppen. Bij deze techniek maak je gebruik van heldere sterren om je al springende van ster naar ster je object te bereiken. Beheers je deze techniek (ze vereist veel oefening) dan heb je geen cirkels of een computer meer nodig om te vinden wat je wilt zien. Voor bezitters van een telescoop die niet is voorzien van cirkels (of waarvan de cirkels te onnauwkeurig zijn) is ster-hoppen de enige techniek om zwakkere objecten te vinden.

De techniek van het sterhoppen gaat er vanuit dat je uitgaande van een heldere ster die in de buurt van je object staat, je uiteindelijke doel gaat vinden. Alles wat je nodig hebt zijn een telescoop, een goed afgestelde zoeker en een sterrenkaart. Gebruik een lage vergroting als je begint met ster-hoppen. Zet de ster op het midden van de kruisdraad van je zoeker en gebruik één van de vijf onderstaande methodes om je object te vinden.

Op een lijn met twee sterren.
Dit is de eenvoudigste manier om van ster naar ster te hoppen om zo je object te vinden. Als voorbeeld nemen we M31, de Andromedanevel in het gelijknamige sterrenbeeld. Richt je zoeker op de heldere ster bèta Andromedae. Beweeg daarna je zoeker naar de ster mu Andromedae die er boven staat. Beweeg met je zoeker verder op deze lijn en verleng hem nog ongeveer éénmaal. Je ziet nu al de Andromedanevel in je zoeker en in je oculair staan.

Tussen twee sterren.
Als voorbeeld nemen we de kleine bolhoop M80 in het sterrenbeeld Schorpioen. Zoek de twee heldere sterren alpha Scorpio (Antares) en beta Scorpio. Plaats je zoeker halverwege een denkbeeldige lijn tussen deze twee sterren. M80 moet nu in je oculair staan. Met behulp van een steratlas kan je op deze manier meer objecten bekijken: zoek naar objecten die op een denkbeeldige lijn tussen twee heldere sterren staan en schat de afstand (eenderde, eenvierde, etc.)

In een driehoek met twee sterren.
We blijven nog even in het sterrenbeeld Scorpius en we gaan op zoek naar de bolhoop M4. De bolhoop vormt een driehoek met de sterren Alpha en Sigma. Zoek het midden van de lijn Alpha – Sigma en laat de zoeker ongeveer 1 graad zakken. Je hebt M4 nu in je oculair staan en afhankelijk van de kwaliteit van de zoeker is de bolhoop ook hierin zichtbaar. Het vormen van alle mogelijke driehoeken tussen sterren en het te vinden object is een veelgebruikte en betrouwbare methode.

Op de kruising van twee lijnen.
Het komt voor dat je object niet in de buurt van een heldere ster ligt. Je kan ook lijnen trekken vanuit heldere sterren die iets verder weg staan. Je object staat dan vaak op het snijpunt van die lijnen. Als voorbeeld nemen we de bolhoop M3. Deze bolhoop staat tussen Arcturus (de hoofdster van het sterrenbeeld Bootes) en Cor Caroli (de helderste ster van het sterrenbeeld Jachthonden. M3 staat ook op de denkbeeldige lijn tussen epsilon Bootis en beta Comae. Richt je telescoop op het snijpunt van deze twee lijnen en met behulp van een lage vergroting is de bolhoop te vinden.

In het oculair.
Je kan ook ster-hoppen door de sterren te gebruiken die in het beeld van je oculair zichtbaar zijn. Zoek een heldere ster op met behulp van je zoeker en gebruik de sterren die je in het oculair zit, samen met een goede steratlas om je object te vinden. Als voorbeeld nemen we M08, een melkwegstelsel dat in het sterrenbeeld Grote Beer staat. Richt de zoeker op de ster Beta Umae. Je ziet in het oculair twee zwakkere sterren staan vlak bij beta Umae. Uitgaande van de ster die het dichtste bij beta Umae staat beweeg je naar beta Umae toe en verlengd deze lijn met ongeveer 2/3 graad naar een volgende ster. Ga verder langs deze lijn, je passeert twee zwakkere sterren die ongeveer op eenzelfde afstand van elkaar liggen. Vanuit de laatste zwakke ster ga je naar een ster die er op een hoek van 135 graden vanaf staat. Je volgt de lijn en je komt op deze manier bij M108 uit. Binnen een oculairveld ligt ook nog M97, de Uilnevel. Deze methode is moeilijk en het duurt een tijd voor je er bedreven in bent. Het is wel een uitstekenden manier om de sterrenhemel te leren kennen. Door zelf aantekeningen te maken van het sterhoppen vindt je objecten de volgende keer veel sneller.

Les 5: Plannen van een waarneemsessie
Er zijn eigenlijk maar twee regels bij het plannen van een waarneemsessie: hou het simpel en hou het leuk. Met andere woorden, je planning moet je helpen om zo veel mogelijk te genieten van al het moois aan de sterrenhemel in plaats van dat het een moeizame puzzel wordt om alle objecten te vinden.

Beslissen wat je wilt gaan bekijken
Om te kunnen beslissen welke objecten je gaat bekijken kan je een draaibare sterrenkaart gebruiken om te zien welke sterrenbeelden zichtbaar zijn. Als je er niet zeker van bent welke objecten je als beginner kan kiezen dan zou je gebruik kunnen maken van boeken die waarneemsessies voor je beschrijven. Er zijn twee Engelstalige boeken die op een goede manier de kunst van het ster-hoppen uitleggen en toepassen op ook voor beginners interessante gebieden aan de hemel. De boeken Star-hopping for Backyard Astronomers en Turn Left at Orion zijn verkrijgbaar via Stichting De Koepel te Utrecht.

Een andere goede methode is om een sterrenbeeld te kiezen en de objecten die in dat sterrenbeeld staan te gaan zoeken. Wederom zijn er boeken die je kunnen helpen om de objecten die binnen het bereik van je telescoop liggen, te kiezen. De boeken bevatten gedetailleerde kaarten van de sterrenbeelden om de objecten op te zoeken. Via Stichting De Koepel zijn o.a verkrijgbaar Observing the Constellations, Petersons Field Guides: Stars and Planets en The Observer’s Sky Atlas.

Een derde methode om een waarneemsessie te plannen is door de Messier-lijst te gebruiken. Op deze lijst van de Franse astronoom Messier staan 110 objecten die binnen het bereik van amateur-telescopen liggen. Ook voor deze Messierlijst zijn boeken geschreven zoals The Messier Album en The Messier Marathon Observer’s Guide die je kunnen helpen om de objecten te vinden.

Gevorderde waarnemers die de beschikking hebben over een wat grotere telescoop zouden ook een waarneemsessie kunnen plannen door gebruik te maken van het veelgebruikte Burnham’s Celestial Handbook. Dit driedelig standaardwerk bevat een schat aan informatie over allerlei objecten aan de sterrenhemel.

Sterrenkaarten
Bovenstaande boeken bevatten niet altijd sterrenkaarten die je buiten kan gebruiken. Op een gegeven moment is een goede steratlas onontbeerlijk. De SkyAtlas 2000.0 is een goede keuze. Gevorderde amateurs kunnen de Uranometrica gebruiken die meer sterren bevat. Beide atlassen zijn via Stichting De Koepel verkrijgbaar. Om je originelen te beschermen tegen weersinvloeden kan je kopieën maken van de delen van de kaarten die je nodig hebt. Stop je in een doorzichtige map en je kan ze meermalen gebruiken.

Heb je de beschikking over een computer dan zijn er verschillende goede programma’s te koop die je bij je waarnemingen kunnen helpen. Voorbeelden zijn Starry Night Pro en Skytools. Dit laatste programma kan zelfs gedetailleerde zoekerkaarten maken en middels een database al je waarnemingen bijhouden.

Aantekeningen
Natuurlijk wil je bijhouden wat je allemaal hebt gezien. Het bijhouden van een logboek is wel het minste wat je kan doen. Noteer minimaal datum/tijd, locatie en het object dat je hebt gezien. Je kan dit aanvullen met informatie over de weersgesteldheid en de gebruikte instrumenten (bijvoorbeeld vergroting, filters, etc.) veel amateur-astronomen maken tekeningen van hetgeen ze hebben gezien. Een andere mogelijkheid is om de waargenomen objecten uit een internetdatabase zoals de Digital Sky Survey te halen.